DB2P - Aangifte-instructies
FR NL

AANGIFTE-INSTRUCTIES

  1. De aangifte-instructies beschrijven de gegevens die moeten worden aangegeven aan DB2P. Deze instructies zijn het resultaat van een samenwerking tussen de verschillende partners van het project. Een werkgroep samengesteld uit de vertegenwoordigers van de verschillende stakeholders bepaalt dus de inhoud van de databank. De instructies die in deze werkgroep voorbereid worden, worden voorgelegd ter goedkeuring aan het Beheerscomité van de KSZ.

    De aangifte-instructies omschrijven welke gegevens u moet aangeven en hoe u deze kan overmaken, m.a.w., de inhoud en het formaat van de bestanden die u moet communiceren en ontvangen. 

    De technische beschrijvingen in de instructies zijn vooral nuttig indien u per batch wenst aan te geven (in plaats van via de portaalsite). Indien u wenst aan te geven via de portaalsite, kan u de handleidingen van de rubriek “aangeven” gebruiken. Merk op dat het steeds mogelijk is om simultaan gebruik te maken van beide aangiftekanalen.

    De wijzigingen van de aangifte-instructies worden steeds gecommuniceerd via deze website, de mailinglijst en de RSS-feed

     

  2. Aangiftes van regelingen voor werknemers

    Versie 1.13.01 van de DB2P aangifte-instructies is de actueel geldende versie voor de aangiftes van regelingen voor werknemers. Bekijk de wijzigingen tussen de verschillende versies:

    Wijzigingen tussen versies WAP 01.10.01 en 01.09.01

    Wijzigingen tussen versies WAP 01.11.01 en 01.12.01. 

    Wijzigingen tussen versies WAP 01.12.01 en 01.13.01. 

     

    Deze instructies omvatten de aan te geven informatie over de aanvullende regelingen voor werknemers. Het toepassingsgebied van deze instructies omvat meer bepaald de collectieve pensioentoezeggingen, de individuele pensioentoezeggingen en de solidariteitstoezeggingen voor werknemers. Ook de aanvullende pensioenregelingen voor contractuele werknemers in de overheidssector vallen dus onder dit toepassingsgebied.
     

    Regelingen voor werknemers waarvoor het beheer en de financiering worden ‘beperkt’ door de pensioeninstelling, vallen in de regel onder het toepassingsgebied van deze instructies WAP. Voor regelingen die reeds werden ‘beperkt’ vóór hun registratie in DB2P – dus ‘beperkingen’ van vóór 1/1/2011 en voor zover de regeling nog niet geregistreerd is in DB2P – geldt een uitzondering. Deze regelingen kunnen worden aangegeven volgens de instructies WAP of in bepaalde gevallen volgens de instructies Andere WAP. Voor een definitie van de zogenaamde ‘beperkte’ regeling, zie secties 4.3.2.3 en 5.1 van deze instructies.
     

    Dit aanvullend document geeft weer hoe de wijzigingen m.b.t. de inrichter van een pensioentoezegging op ondernemingsniveau naar aanleiding van een herstructurering aan te geven. 

     

  3. Andere WAP (onthaalstructuur en individuele pensioeneis)

    Dit document (instructies versie ANDERE WAP 01.04.01) omvat de aan te geven informatie over de regelingen die door de WAP specifiek in het leven zijn geroepen om de situatie na de uittreding van een aangeslotene te reguleren, zoals voorzien in art. 32 § 1 en 2 en in art. 33 WAP (zoals de onthaalstructuur en de individuele pensioeneis). 

    Bekijk de wijzigingen tussen de verschillende versies:

    Wijzigingen tussen versies AWAP 01.02.01 en 01.01.01

    Wijzigingen tussen versies AWAP 01.03.01 en 01.04.01

  4. FAQ

FAQ
  1. CreateRegulation
    1. Wat betekent de afwezigheid van een ApplicationDate in een aangifte CreateRegulation ná 31/12/2012?

      De ApplicationDate is niet verplicht voor regelingen die vóór 01/01/2013 in werking zijn getreden.

      In de aangifte-instructies DB2P is een overgangsmaatregel gedefinieerd voor de ApplicationDate van de regelingen met een RegulationCategory gelijk aan CollectivePension, PersonalPensionAgreement of EmployerSolidarity. De ApplicationDate dient niet ingevuld te worden indien de betrokken regeling in werking is getreden vóór 01/01/2013. Binnen de geldende aangiftetermijnen is het mogelijk dat zo een regeling ook nog ná 31/12/2012 wordt aangegeven. Dat betekent dat indien de ApplicationDate van een regeling die wordt aangegeven ná 31/12/2012 niet meegedeeld wordt in de aangifte CreateRegulation, deze regeling zal geacht worden in werking te zijn getreden vóór 01/01/2013.

      Voor regelingen die in werking zijn getreden ná 31/12/2012 is de ApplicationDate wel verplicht mee te delen in de aangifte CreateRegulation.

  2. Deposit
    1. Moet er een aangifte Deposit worden aangegeven indien er in het afgelopen jaar geen premiestorting is gebeurd?

      Ook indien u in het afgelopen jaar geen premiestorting heeft ontvangen (cf. Contribution holiday), dient toch een aangifte Deposit te worden ingediend. De waarde voor het veld DepositAmount dient dan gelijk te zijn aan ‘0 EUR’ en de waarde voor het veld ActualDepositDate kan dan gelijk zijn aan bv. ’31-12-2010’.

    2. Welk bedrag moet worden meegedeeld voor de premiestorting via de aangifte Deposit?

      Via de aangifte Deposit deelt u informatie mee over de premiestortingen die u werkelijk ontvangen heeft in het kader van een pensioenregeling. U geeft dus de effectief ontvangen bedragen aan, evenals de exacte datum waarop deze werden ontvangen. Er moet niet worden aangegeven voor welke periode deze premies volgens het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst verschuldigd zijn.

      De premie die moet worden aangegeven is het bedrag van de binnen de pensioenregeling verrichte storting die door de werkgever wordt verricht om aan de personeelsleden buitenwettelijke voordelen inzake ouderdom of vroegtijdige dood te verlenen (art. 38, §3 ter van de Wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, B.S. 2-7-1981). Het betreft dus de werkgeverspremies die zijn onderworpen aan de bijzondere RSZ-bijdrage van 8,86%.

      M.a.w. het mee te delen bedrag via de aangifte Deposit is het bedrag dat als berekeningsbasis wordt gebruikt voor de bijdrage van 8,86%. De premietaks van 4,40% is uitgesloten van deze berekeningsbasis. De beheers- en werkingskosten van de pensioeninstelling kunnen enkel uitgesloten worden als het financieringsplan, de beheersovereenkomst of het pensioenreglement een duidelijk onderscheid maakt tussen de kosten enerzijds en de financiering van de pensioenrechten anderzijds. In deze documenten moet dus een afzonderlijke post voor de kosten worden opgenomen alsook een nettopremie voor de opbouw van de pensioenrechten. Indien de kosten niet duidelijk onderscheiden kunnen worden (o.b.v. de documenten), is de doelstelling van de premie niet duidelijk en is de bijdrage van 8,86% verschuldigd op het globale bedrag.

      Voorbeeld:
      Stel dat een werkgever 100 euro stort aan een pensioeninstelling in het kader van een aanvullende pensioenregeling. Het financieringsplan, de beheersovereenkomst of het pensioenreglement bepaalt dat 5 euro daarvan wordt aangewend voor de dekking van de beheers- en werkingskosten en 95 euro voor de opbouw van de pensioenrechten van de werknemers. In dat geval zal de bijzondere RSZ-bijdrage berekend worden op 95 euro (en niet op 100 euro).

    3. Moet er een aangifte Deposit gebeuren voor premies die geïnd worden via de RSZ of de RSZPPO?

      De bedragen die werden gestort in het kader van een pensioenregeling waarvoor de inning van de premies gebeurt door de RSZ of RSZPPO moeten niet worden meegedeeld aan DB2P. Deze premiestortingen zijn vrijgesteld van een aangifte Deposit.

    4. Moet er een aangifte Deposit gebeuren voor premies die gestort worden in het kader van een sectorale pensioenregeling?

      De premiestortingen die werden ontvangen in het kader van een sectorale pensioenregeling (RegulationCategory is gelijk aan SectorPension) zijn ook in 2011 en 2012 vrijgesteld van de aangifte Deposit. Concreet betekent dit dat de pensioeninstellingen geen informatie moeten meedelen over de bedragen die zij in 2011 en 2012 hebben ontvangen in het kader van een sectorale pensioenregeling.

    5. Welke financiering dienen sectorale inrichters mee te delen via de Deposit-aangifte?

      Via de aangifte Deposit wordt de informatie meegedeeld over de premiestortingen die zijn gebeurd in het kader van een pensioen- of solidariteitstoezegging.

      In het kader van een pensioenregeling (RegulationCategory is gelijk aan CollectivePension, SectorPension of PersonalPensionAgreement) betreft deze aangifte, de premies die werden gestort door de werkgever om aan de personeelsleden buitenwettelijke voordelen te verlenen inzake ouderdom of vroegtijdige dood.

      Deze aangifte is niet van toepassing indien RegulationCategory gelijk is aan InternalPersonalPensionAgreement.

      Ten gevolge art. 38, §3ter RSZ Wet van 29 juni 1981, zijn de werkgeverspremies onderworpen aan een bijzondere RSZ-bijdrage van 8,86%. Het artikel 72[1] van de Programmawet van 27 december 2012 (B.S. 31december 2012) voorziet in een art. 38§3terB dat de sectorale inrichters aanduidt als debiteur van de bijzondere RSZ-bijdrage.

      Indien RegulationCategory is gelijk aan SectorPension is het mogelijk dat de pensioenregeling zowel gefinancierd wordt door premies, gestort door de werkgever aan de sectorale inrichter als door een financiering uit de algemene reserves van de sectorale inrichter aan de pensioeninstelling.

      Op basis van het verslag[2] van de Commissie voor de Sociale Zaken naar aanleiding van de bespreking van het Ontwerp van Programmawet en de toelichting van de diensten van de RSZ, kan de bijzondere RSZ-bijdrage van 8,86% niet van toepassing zijn op de financiering uit de algemene reserves van de sectorale inrichter, onder volgende voorwaarden:

      Het is evenwel de verantwoordelijkheid van de inrichter om aan te tonen dat het middelen zijn uit de algemene reserve. In de gevallen dat de inrichter ook andere taken heeft dan de financiering van een aanvullende pensioenregeling, moet aangetoond worden dat de financiering niet voortkomt uit betalingen van werkgevers die oorspronkelijk bedoeld waren voor andere doeleinden (bv. Economische werkloosheid, ziekte, …).

       Indien het een financiering betreft waarvoor de bijzondere RSZ-bijdrage van 8,86% niet van toepassing is, is ook geen Deposit-aangifte nodig.


      [1] Het KB dat dit artikel in werking stelt is tot op heden (22/04/2014) nog niet verschenen.

      [2] D.d. 18 december 2012 – DOC 53/2561/008

       

  3. Premium
    1. Wat verandert er vanaf 01/01/2014 voor sectorale inrichters en sectorale pensioeninstellingen?

      Een Wet Diverse bepalingen van 22 april 2014 die reeds is goedgekeurd in het parlement en waarvan we op publicatie wachten in het Belgisch Staatsblad, voorziet dat de sectorale inrichters debiteur worden van de bijzondere bijdrage 1,5% vanaf 01/01/2014 voor 2014 en 2015.

      De komende, nieuwe bepalingen voorzien ook dat de toegewezen bedragen aan de rekening betreffende de opbouw van een aanvullend rust- of overlevingspensioen van een toezegging op ondernemingsniveau niet moeten opgeteld worden bij de bedragen, toegewezen in het kader van een sectorale toezegging voor de berekening van de bijzondere bijdrage 1,5%.

      De pensioeninstelling van de sectorale inrichter is verantwoordelijk voor de Premium-aangifte.

      De pensioeninstelling moet de informatie bezorgen per inrichter en per aangeslotene.

      Nieuwe Sigedis-instructies zijn ter beschikking en de definities van de te gebruiken elementen worden geactualiseerd.

      Ter informatie:

      Vóór 30/09/2014 zullen al de sectorale inrichters een brief ontvangen van Sigedis over het eventueel te betalen bedrag van bijzondere bijdrage 1,5%. Indien de sectorale inrichters een bijzondere bijdrage 1,5% moeten betalen, dan nemen zij best contact met de diensten van de RSZ voor een registratie ‘derde-betaler’ enkel voor zover zij nog geen dergelijke registratie hebben. 

      De pensioeninstellingen van sectorale inrichters kunnen bij Sigedis vanaf 2014 per inrichter en per aangeslotene een aangifte “Premium” doen voor de stortingen, verricht  in het kader van een sectorale pensioentoezegging.

       

    2. Welke bedragen dienen er gecommuniceerd te worden in het veld ‘VestedReservesIncrease?

      Er dienen twee bedragen aangegeven te worden nl. het bedrag van de verworven reserve op datum T1 en het bedrag van de verworven reserve op T2.
      De pensioeninstelling moet enkel de berekeningselementen meegeven en moet deze bedragen dus niet actualiseren (6%) of zelf een theoretische premie berekenen.

    3. Moet er een aangifte ‘Premium’ worden ingediend als er voor een werknemer een bepaalde gebeurtenis (zoals uittreding, overdracht van reserves, overlijden of aansluiting) plaatsvond? nt nl_BE

      Indien er zich een gebeurtenis ( zoals uittreding, overdracht van reserves, overlijden of aansluiting) voordoet, is beslist om elke periode, hoe klein ook, waarbij de werknemer/aangeslotene nog werkzaam is binnen de onderneming  in aanmerking te nemen voor de berekening van de verworven reserves.  Het is bijgevolg steeds nodig een aangifte Premium uit te voeren.

      De vraag of er al dan niet een berekening van de reserves dient te gebeuren stelt zich voornamelijk als de berekeningsdatum van de verworven reserves niet op 1 januari valt en indien de werknemer de werkgever verlaten heeft tussen de herberekeningsdatum n-2 en 31/12/n-2.

      Enkele concrete voorbeelden ter illustratie:

      Herberekeningsdatum = 1 januari; werknemer verlaat de werkgever op 1 juli 2012

      Aangifte 2012: T1= 01/01/2011; T2= 01/01/2012: aangifteverplichting

      Aangifte 2013: T1= 01/01/2012; T2= 01/07/2012: aangifteverplichting

      Aangifte 2014: geen aangifteverplichting aangezien de werknemer niet langer in dienst was bij de werkgever tijdens de referentieperiode voor de herberekening, zijnde T1= 01/01/2013; T2= 01/01/2014 en evenmin tijdens de referentieperiode voor de berekening van de verworven reserves, zijnde T1= 01/01/2013; T2 01/01/2014.

      Herberekeningsdatum = 1 april; werknemer verlaat de werkgever op 1 maart 2013

      Aangifte 2012: T1= 01/04/2010; T2= 01/04/2011: aangifteverplichting

      Aangifte 2013: T1= 01/04/2011; T2= 01/04/2012: aangifteverplichting

      Aangifte 2014: T1= 01/04/2012; T2= 01/03/2013: aangifteverplichting

      Herberekeningsdatum = 1 april; werknemer verlaat de werkgever op 1 juni 2012

      Aangifte 2012: T1= 01/04/2010; T2= 01/04/2011: aangifteverplichting

      Aangifte 2013: T1= 01/04/2011; T2= 01/04/2012: aangifteverplichting

      Aangifte 2014: T1= 01/04/2012; T2= 01/06/2012: aangifteverplichting. Dit houdt concreet in dat de berekening gebeurt op de datum dat de gebeurtenis plaatsvindt zelfs indien deze datum zich situeert tijdens het jaar n-2 en de werknemer niet meer bij de werkgever tewerkgesteld is in het jaar voorafgaande aan het bijdragejaar.

    4. Wat gebeurt er met de kapitalisatietaks van 6% indien ten gevolge van een bepaalde gebeurtenis de aansluiting in het betrokken bijdragejaar minder dan 1 jaar bedraagt?

      De kapitalisatietaks van 6% wordt als een jaarlijkse taks beschouwd, bijgevolg zal deze taks geactualiseerd worden al naargelang de in acht te nemen periode voor de berekening van de verworven reserves. 

    5. Hoe wordt de aangifte van negatieve theoretische premies geïnterpreteerd?

      Het is mogelijk dat de theoretische premies negatief zijn. Indien bij de aangifte of berekening het om een negatief bedrag gaat, zal dit bedrag worden beschouwd als zijnde 0 en zal dit niet opgenomen worden in de berekening van de pensioenopbouw. Deze ‘premie’ wordt in principe afgeleid van het verschil tussen twee reserves en het is mogelijk dat dit verschil negatief is indien de tweede reserve lager is dan de eerste. Dit mag echter niet geïnterpreteerd worden als een gedeeltelijke opname van de reserve door de werkgever.

      De programmawet van 27 december 2012 deelt m.b.t. dit onderwerp nog het volgende mee:

      “Het bedrag van deze verandering stemt overeen met het verschil, wanneer dit positief is, tussen de verworven reserves berekend op 1 januari van het bijdragejaar en de verworven reserves berekend op 1 januari van het jaar dat voorafgaat aan het bijdragejaar, behalve indien het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst in een andere datum voorziet voor de herberekening van de prestaties, in welk geval de hiervoor vermelde verworven reserves berekend worden respectievelijk op de meest dichtbij zijnde herberekeningsdatum tijdens het jaar dat voorafgaat aan het bijdragejaar en tijdens het jaar dat voorafgaat aan dit jaar.”

      Enkele concrete voorbeelden ter illustratie:

      Voorbeeld 1

      Bedrag aangegeven op 01/01 n-1: positief bedrag

      Bedrag aangegeven op 01/01 n: positief bedrag

      Bedrag bij beide aangiftes positief Resultaat eveneens positief.

      Voorbeeld 2

      Bedrag aangegeven op 01/01 n-1: positief bedrag

      Bedrag aangegeven op 01/01 n: negatief bedrag: dit bedrag wordt herleid naar waarde 0

      Bedrag aangegeven op 01/01 n: positief bedrag

      Indien er verschillende bedragen voor een bepaalde werknemer worden aangegeven waarvan er één of meerdere negatief zijn, wordt er geen gemiddelde gemaakt van alle aangegeven bedragen maar worden de negatieve herleid tot waarde 0. Deze negatieve bedragen zullen niet opgenomen worden in de berekening van de pensioenopbouw. 

    6. Op welke manier wordt de berekeningsdatum van de reserves aangepast als er een transfer van het reglement of een verandering van pensioenplan plaatsvindt?

      Geval 1

      De oorspronkelijke herberekeningsdatum van een pensioenplan was 01 april. Vanaf 2012 wordt dit 01 juli. In dit geval moet de periode van 15 maanden in aanmerking genomen worden, zodat er geen leegte van 3 maanden bestaat. Om de berekening op jaarbasis te kunnen uitvoeren, moet de taks van 6% geproratiseerd worden. 

      Voor welk bijdragejaar moeten deze 15 maanden in aanmerking genomen worden?

      Voorbeelden ter illustratie:

      Bijdragejaar 2013: 2 mogelijkheden.

      1.            Berekend op:

      T1 = 01/04/2011

      T2 = 01/04/2012

                      +

      T1 = 01/04/2012

      T2 = 01/07/2012

       

      2.            Berekend op:

      T1 = 01/04/2011

      T2 = 01/07/2012

       

      Bijdragejaar 2014: 2 mogelijkheden.

      1.            Berekend op:

      T1 = 01/04/2012

      T2 = 01/07/2012

       

                      +

      T1 = 01/07/2012

      T2 = 01/07/2013

       

      2.            Berekend op:

      T1 = 01/04/2012

      T2 = 01/07/2013

      Na overleg werd beslist dat de werkgever de 15 maanden in de berekening zo snel mogelijk in aanmerking moet nemen, in dit concreet geval betekent dit bijgevolg vanaf bijdragejaar 2013.

      Geval 2

      De oorspronkelijke herberekeningsdatum van een pensioenplan was 01 april. Vanaf 2014 wordt dit 01 maart.

      Hier is de in acht te nemen periode veel eenvoudiger te bepalen. De berekeningsperiode wordt in dit geval herleid tot 11 maanden. Er is hier bijgevolg geen leegte die in aanmerking moet genomen worden. 

       

    7. Tijdens de referentieperiode was de aanvullende pensioenopbouw van een werknemer of een zelfstandige bedrijfsleider bij de pensioeninstelling beperkt  en de jaarlijks geïndexeerde drempel van 30.000 euro wordt niet overschreden. Moet er een aangifte ‘Premium’ worden ingediend?

      De pensioeninstelling moet in het bijdragejaar (N) een aangifte ‘Premium’ indienen voor elke werknemer of zelfstandige bedrijfsleider die in het jaar voorafgaand aan het bijdragejaar (N-1) was aangesloten bij een aanvullende pensioenregeling. Ongeacht of het gedeelte van de pensioenopbouw beheerd door de pensioeninstelling de jaarlijkse (geïndexeerde) drempel van 30.000 euro zal overschrijden. Het is immers mogelijk dat de werkgever of de rechtspersoon een of meerdere toezeggingen voor de werknemer of zelfstandige bedrijfsleider, doet en deze heeft toevertrouwd aan meerdere pensioeninstellingen.

      Wanneer er na het verstrijken van de opgelegde aangiftetermijn geen aangifte ‘Premium’ voor een aangeslotene werd aangegeven aan DB2P, wordt dit beschouwd als een bevestiging van de pensioeninstelling dat er in de referentieperiode geen bedragen werden toegewezen aan de individuele rekening van de aangeslotene of geen aanvullende pensioenopbouw is gebeurd voor de aangeslotene.

       

    8. Ik heb (als dienstverlener) een mandaat voor één of meerdere specifieke regelingen. Hoe wordt dit mandaat geïnterpreteerd bij de aangifte ‘Premium’ waar de gegevens niet op het niveau van de regeling moeten worden meegedeeld?

      Het gaat dus om een mandaat waarbij in de aangifte ‘SetDelegation’ een delegatieregel (‘DelegationRule’) wordt bepaald die de rechten beperkt tot een of meer specifiek vermelde regelingen (Regulations). Echter, deze delegatieregel kan niet worden toegepast voor de aangifte ‘Premium’ omdat in deze aangiftes ‘Premium’ geen specifieke regelingen vermeld (moeten) worden.

      Daarom wordt er. bij de aangifte ‘Premium’ niet gecontroleerd of het mandaat beperkt is tot specifiek vermelde regelingen. Dit is logisch aangezien Premium niet per regeling moet worden meegedeeld, maar toch ook niet zonder impact!

      Stel volgende delegatieregels:

      -        Mandaat 1 (vergelijkbaar met uw situatie)

      Delegator

      Delegate

      Consultation

      Declaration

      Model

      Regulations

      0111.111.111

      0222.222.222

      All

      All

      AllModel

      SigedisId2

      -        Mandaat 2

      Delegator

      Delegate

      Consultation

      Declaration

      Model

      Regulations

      0111.111.111

      0333.333.333

      All

      All

      AllModel

      SigedisId3

      Het niet controleren van de rechten m.b.t. ‘Premium’ voor specifieke regelingen, zou kunnen betekenen dat de gemandateerde 0222.222.222 alle aangiftes ‘Premium’  van de delegerende entiteit (hier: 0111.111.111) kan indienen en/of consulteren (ook deze m.b.t. andere regelingen dan SigedisId2, dus bv. m.b.t. SigedisId3 uitbesteed aan 0333.333.333). Dit strookt volgens ons echter niet meer met de delegatieregels die werden vastgelegd in het mandaat (m.n. enkel rechten voor een of meer specifieke regelingen).

      Daarom wordt in het ontwikkelde mandatensysteem door Sigedis enkel voor de aangiftes ‘Premium’ de waarde voor ‘Consultation’ en ‘Declaration’ op ‘Own’ geplaatst (i.p.v. de waarde ‘All’ zoals aangegeven in het mandaat). Dit zal dan betekenen dat de gemandateerde enkel nog de eigen aangiftes ‘Premium’ kan aangeven, raadplegen en verbeteren. Voor alle andere aangiftes in ‘AllModel’ (bv. Deposit)  blijft de waarde voor ‘Consultation’ en ‘Declaration’ gelijk aan ‘All’.

  4. Herstructurering: wijzigingen m.b.t. de inricht

    Hoe de wijzigingen m.b.t. de inrichter van een pensioentoezegging op ondernemingsniveau naar aanleiding van een herstructurering aan te geven? U vindt de richtlijnen in dit document.

  5. Departure
    1. Moet een uittreding worden aangegeven aan DB2P als de aangeslotene op het ogenblik van de uittreding nog geen jaar in dienst is en er geen verworven reserves zijn opgebouwd?

      In principe, moet elke uitreding zoals bedoeld in art.3 WAP worden meegedeeld aan DB2P (via een aangifte ‘Departure’ tot eind 2013 en via een aangifte ‘EventAccountState’ vanaf 2014). Echter, als er voor de aangeslotene nog geen AccountState (stand van de rekening) werd aangegeven aan DB2P en er voor deze aangeslotene ook geen verworven reserves werden opgebouwd, is het niet noodzakelijk om de uittreding aan te geven aan DB2P. Werd er wel reeds een AccountState aangegeven voor de aangeslotene, dan moet de uittreding ook steeds worden meegedeeld aan DB2P. Werd er nog geen aangifte AccountState ingediend, maar heeft de aangeslotene verworven reserves opgebouwd, dan moet de uittreding ook steeds worden meegedeeld aan DB2P.